Jef Friant: van kankerpatiënt tot triatleet

Pas getrouwd, pas een eigen huis gekocht: klaar voor het avontuur van het volle leven. Net op dat moment krijgt Jef Friant te horen dat hij lijdt aan de ziekte van Hodgkin, een soort lymfklierkanker. Maar de ziekte kreeg Jef er niet onder. Met onverwoestbaar optimisme en sportief gemoed daagde Jef de dood uit. "Ik dacht meteen: ik genéés". En uiteindelijk moest die venijnige en unfaire tegenstander het loodje leggen.
Tekst: Marc Peirs, uit Leven 7, juli 2000
"Nu gaat het goed. Er zijn al zes jaar geen sporen meer van kanker. Vijf jaar zou de kritische grens zijn: blijf je vijf jaar gezond, dan heb je 'Hodgkin' verslagen. Om de zes maanden ga ik wel op controlebezoek, om zeker te zijn. Hij kán altijd terugkomen. En ik ben hoe dan ook gevoeliger dan andere mensen om andere soorten kanker te krijgen. Dat is niet zozeer de schuld van 'Hodgkin', maar een gevolg van de zware chemotherapie en de bestraling die ik kreeg."
"Begin november 1987 viel het verdict. Acht maanden voordien waren Linda en ik getrouwd; we hadden net dit huis gekocht. De artsen zijn meteen zeer eerlijk en open geweest. Dat waardeer ik enorm. Eén dag heb ik in de put gezeten. Maar ik dacht meteen: ik genéés. Ik kreeg 16 infuzen (chemotherapie, nvdr), of waren het er 24? Ik weet het niet meer precies. Dan volgden 48 bestralingssessies. Ik braakte telkens de ziel uit mijn lijf. De afkeer nestelde zich in mijn hoofd: ik hoefde bij wijze van spreken maar in de wagen te stappen op weg naar het UZ Gasthuisberg in Leuven, en ik zou de auto onder hebben gekotst (glimlacht). Toch viel het al bij al mee. Ik was telkens maar één dag hondsziek. De dag erna was ik wat loom, maar kom. Geen erg."
"Na de behandeling ging ik trouw op controle. Op de allerlaatste controle voor de volle vijf kritieke jaren om zouden zijn, was het raak. Ik had een tijd voordien al een hard kliertje gevoeld onder mijn oksel. Toen hoorde ik de diagnose: Hodgkin was terug. Het voelde aan alsof ik een emmer ijskoud water over me heen kreeg gekieperd. Ik was een week lang van de kaart. Maar ik wou me niet laten kennen. Ik wou er weer tegenaan om de kanker te overwinnen. Ik kreeg opnieuw een serie infuzen. Het braken was toen véél minder: in de jaren tussen mijn eerste en tweede behandeling was een medicijn bedacht tegen het braken."
"Weet je wat me schokte? De reactie van sommige mensen. In de bank kreeg ik een bitse snauw toen ze van mijn ziekte hoorden. Enkele maanden voordien waren we een lening aangegaan voor ons huis. 'Je wist het toen al. Je hebt ons een lelijke loer gedraaid', kreeg ik te horen. Terwijl we het niét wisten. Maar maak ze dat maar eens wijs. Ook een bijkomende levensverzekering mag ik op mijn buik schrijven. We hebben ook geleerd wie onze echte vrienden zijn. Wat de mensen zeggen, is soms heel hard. Een vriend met wie we vroeger vaak op stap gingen, zagen we na de behandeling in de winkelstraat en hij reageerde: 'Hé, ik dacht dat jij allang dood was.' Of je hebt van die collega's en zogenaamde vrienden die één keer een beleefdheidsbezoekje afleggen. Ik vind: een echte vriend stáát er, als je zo'n probleem hebt. Zelf proberen we altijd tijd te maken voor wie nood heeft aan een gesprek."
"Ik merk dat Linda en ik nu veel meer kansen nemen om te genieten. Van kleine dingen hoor: 's avonds een terrasje doen op de markt. Samen in de zetel zitten en naar de wolken kijken. Of de natuur bewonderen, op de camping waar ik werk. Als ik een buizerd voorbij zie zweven. prachtig, toch? In mijn vorige job in de tuinaanleg in Mol moest ik om 7 uur 's ochtends beginnen. Wanneer ik 's avonds thuis zou zijn, dat was een raadsel. Zeker in de lente was het telkens keihard werken. Dat is niet langer aan mij besteed. Ik vind de tijd zo kostbaar dat ik liever geniet dan veel geld te verdienen. Wat op de bankrekening staat, is niet het belangrijkste. We léven goed."
"Kinderen zullen we helaas nooit krijgen. Voor de eerste behandeling begon, hadden de artsen me gewaarschuwd dat ik onvruchtbaar zou worden. Ze raadden ons aan mijn zaad naar de spermabank te brengen. Dat hebben we gedaan. Maar intussen is 12 jaar verstreken. Is de kwaliteit nog goed? En stel dat het mislukt. Je hebt al je hoop gevestigd op die ene kans. dan komt een klap dubbel hard aan. Het gemis is niet helemaal verwerkt, dat geven we grif toe. Zeker als we een geboortekaartje in de bus krijgen of als we naar een pasgeboren baby gaan kijken. Nu en dan passen we een dagje op de kinderen van vrienden of familie. En als ze 's avonds terug naar papa en mama gaan, genieten wij van de rust (lacht)."
"Na mijn eerste behandeling woog ik 130 kilogram. Geen gezicht. En dat voor iemand die altijd sportief was geweest! Een vriend introduceerde me bij de triatlonclub. Na een tijdje waagde ik mijn kans en nam deel aan een kwart-triatlon! Toen kwam de tweede keer de diagnose. Ik probeerde zo lang en zo goed mogelijk te blijven sporten. Maar ik zag mijn krachten zo afnemen: eerst liep ik nog tien kilometer, dan nog zes. Uiteindelijk kon ik niet eens meer het blokje om lopen! Maar na de behandeling heb ik stante pede mijn sportzak genomen, ik ben naar het stedelijke zwembad gestapt en 'k heb anderhalve kilometer gezwommen. Vorige zomer volgde de kroon op het werk: de volledige triatlon. Ik werd 338ste op 700 deelnemers. Maar dat is voor mij niet van belang. De triatlon voleindigen, dát was mijn doel. Tonen dat iemand die zo ziek is geweest, tot zo'n sportieve daad in staat is. Bij aankomst voelde ik me een klein beetje Armstrong. Zielsgelukkig was ik. Drie weken lang liep ik op wolkjes. Dit jaar ben ik opnieuw van de partij. Niet dat ik mezelf nog een keer wil bewijzen - dat heb ik vorig jaar gedaan. Nu laat ik me sponsoren en ik schenk de opbrengst aan het Kinderkankerfonds. Want ik heb altijd gezworen: ooit doe ik iets terug voor al die mensen die mij zo goed hebben geholpen en gesteund."
