De rol van de huisarts in de zorg ná kanker

De huisarts: 'Aandacht en tijd'
Luc D’Hooghe is huisarts in Vorst. Nederlands-, Frans- en anderstaligen vinden de weg naar zijn duopraktijk. Vooral Vlamingen zijn blij met een arts in het Brusselse die hun taal spreekt. Want zorg na kanker vraagt een goede communicatie.
Tekst: Els Put, uit Leven 38, april 2008
'Mijn rol als huisarts bij een patiënt met kanker? Dat is bij iedere patiënt anders. Dat is uitzoeken wie wat nodig heeft, medisch en psychisch begeleiden, signalen herkennen en het gesprek aangaan.'
'Kijk, Marina was een jonge vrouw toen bij haar borstkanker ontdekt werd. Ze was pas 32, net gescheiden. Tijdens haar behandeling ging ze weer bij haar moeder wonen. Ze kreeg een borstreconstructie, de poortkatheter werd verwijderd. Na haar behandeling en herstel was ze redelijk oké. Alles leek vergeten en verwerkt. Maar tijdens latere consultaties is ze gesloten en stil. Na vier jaar komt ze in een dip: ze slaapt slecht en is angstig. Ik probeer haar wat te helpen met wat medicatie. Meer laat ze niet toe, ze sluit zich af voor een gesprek. Later komt ze – voor het eerst alleen, zonder moeder en kind - op consultatie met een eenvoudige klacht waar ik weinig symptomen voor vind. Na wat spitten, begint ze ineens te wenen. Ze vertelt dat ze een bolletje voelde, weer een mammo had. Dat ze zo bang is. Haar verhaal van vroeger komt eindelijk naar boven. We praten. Ik raad haar aan om naar een psycholoog te gaan om al het moeilijke dat ze in het verleden steeds opzij schoof, nu door te praten. Om het te verwerken, al zal haar angst altijd blijven. Vandaag voelt ze zich een flink stuk beter, klaar voor haar nieuwe relatie.
Wat ik voor haar kon doen, was alert zijn voor wat er met haar gebeurde tijdens haar ziekte en nadien. Haar ondersteunen met een gesprek en met medicatie en haar doorverwijzen toen ze er klaar voor was.'
'Een andere patiënt, een heel ander verhaal: een man van 78 krijgt blaaspoliepen. Hij stapte in het verleden snel naar specialisten, als huisarts had ik weinig functie. Ook nu wordt hij gedurende enkele jaren in een ziekenhuis in de buurt behandeld. Dan krijgt hij meer problemen; bloedarmoede, uitzaaiingen,….. Ook dat trachten de artsen in het ziekenhuis te behandelen maar de man gaat achteruit. Hij wil in het ziekenhuis niet naar de palliatieve afdeling en komt naar huis. Met weinig informatie, wat mijn taak niet zo makkelijk maakt. Ik ga hem opzoeken en verwittig de thuisverpleegkundige en de kinesist, werk een medicatieschema uit, doe de aanvragen voor de Bf-medicatie (medicijnen waarvoor toestemming nodig is van de adviserend arts van het ziekenfonds, nvdr). Hij wordt bedlegerig en ik zorg voor een ziekenhuisbed en een matras tegen doorliggen. Een massa papierwerk waarvan ik me afvraag hoe zijn echtgenote van ondertussen 82 dat allemaal moet opvolgen. Een dappere vrouw! Meerdere keren per week maak ik tijd voor een huisbezoek, overloop de behandeling, praat met haar, help hem even. Na een tijdje merk ik dat het tijd wordt om palliatieve zorg in te schakelen. Ik vraag ook of ik een priester of lekenhelper mag verwittigen. Hij komt en geeft de vrouw de kans om afscheid te nemen, om haar man te laten gaan. Hier begeleidde ik deze mensen en was ik de organisator van de zorg.'
De noden van patiënten
'Kankerpatiënten hebben een heleboel noden. Een eerste is het vertalen van alle informatie die ze krijgen, uitleggen wat een onderzoek, verslag of behandeling betekent. Daarnaast moet ik alert zijn voor de nevenwerkingen van de chemo- en radiotherapie.'
'Niet alleen het fysieke is van belang. Ook hoe kankerpatiënten die diagnose en zware behandelingen ondergaan en verwerken. Vaak worden de partner of het gezin vergeten: het herstel van de patiënt hangt ook van hún draagkracht af. Hoe kan ik helpen? Wie schakelen we in? Die praktische ondersteuning is nog belangrijker bij mensen die er alleen voor staan. Rekenen op je buren of zelfs op familie is in het Brusselse niet evident, de grootstad is anoniem.
En dan zorg je als arts ook dat alles loopt: de communicatie met de artsen-specialisten, de thuiszorg, familiehulp. Een complex plaatje; zeker in Brussel, maar niet alleen hier.'
'Ik moet niet enkel organiseren; patiënten hebben vooral informatie nodig, een gesprek. Veel patiënten blijven erg moe na kanker. Die vermoeidheid is echt, het is inherent aan het herstel na de zware behandeling. Ik plak er vaak een tijdsduur op: dit jaar kan je vergeten, volgend jaar begin je opnieuw.'
'En wanneer ik merk dat een patiënt erg op zoek gaat naar alternatieve therapieën, dring ik er op aan dat ze hun klassieke behandeling niet stoppen. En dat ze vragen naar de bewijzen van de therapie en de kwalificatie van de therapeut. Ik begrijp die zoektocht wel - het is een deel van een verwerkingsproces. Ook dan tracht ik hen op te volgen om bijvoorbeeld te vermijden dat andere middelen nadelig inwerken op de chemotherapie, zoals bijvoorbeeld sint-janskruid.’
De noden van artsen
Patiënten hebben noden. Artsen ook. Luc D’Hooghe: 'Zonder een sterk team is goede geneeskunde niet mogelijk. De zorg voor een zwaar zieke patiënt is ploegwerk, "mijn" thuisverpleegkundigen zijn mijn voelsprieten. Ze worden veel te weinig in de bloemetjes gezet. En tijd, dat heb je ook nodig: ik vraag al mijn mobiele patiënten om naar mijn consultatie te komen zodat ik niet onnodig tijd verlies in het verkeer en voldoende tijd vrij kan houden voor mijn bedlegerige patiënten. Nog zo’n tijdvreter: al die attesten die de gezondheidszorg van vandaag vraagt. Hoe kun je zieke mensen daar nog mee lastig vallen?'
'Wat ik nog nodig heb? Overleg, om een behandeling te bespreken en af en toe een goed gesprek om een moeilijk moment door te praten. Het doet pijn wanneer je een patiënt moet laten gaan.
Nog zo’n moeilijk ding, voor arts en verpleegkundigen: hoe kan ik euthanasie weigeren bij één van mijn patiënten? Als ze dat echt vragen, kan ik dan zeggen: ga naar een andere arts. Kan ik hen in die laatste momenten in de steek laten? Weinig mensen beseffen wat een impact dat heeft op ons.'
De patiënte: 'Net wat ik nodig had'
Myriam Verkouter is een jonge moeder, haar kinderen zijn vier en zes. Myriam is ook kankerpatiënte: drie jaar geleden kreeg ze Hodgkinlymfoom. Ze kijkt terug op die tijd en weet: de steun van haar huisarts, Luc D'Hooghe, blijft onmisbaar.
'Hoe meer ik las, hoe verwarder ik werd. Op het internet is zoveel informatie te vinden, maar wat zegt die over jou? Mijn huisarts was heel categoriek: "Stop eens met dat gezoek op internet. We praten hier beter samen over." Dat hebben we ook gedaan. Wat een opluchting. Hij legde me de resultaten van onderzoeken uit en wat die voor mij betekenden. Hij hertaalde al die technische gegevens. Hij hielp me ook om het gesprek met de oncoloog voor te bereiden: waar zit je mee, wat wil je weten,...? En hij gaf antwoorden een betekenis: wat die prognose nu eigenlijk inhield, waarom de volgende stap in de behandeling nodig was.'
'Ik ben via veel omwegen bij hem terechtgekomen: ik was op zoek naar een Nederlandstalige huisarts in het Brusselse. Die lopen niet zo dik, weet je. In die tijd had ik vaak last van hoofdpijn tot ik op een dag scheel keek. Mijn vroegere huisarts was niet bereikbaar, de dokter van wacht stuurde me naar spoed en de bal ging aan het rollen. Van het ene ziekenhuis naar het andere, onderzoek na onderzoek. Ze vonden niet wat ik had. Toen heb ik bij dokter D’Hooghe aangeklopt, ik kende hem via mijn werk. Hij stuurde me onmiddellijk naar Leuven. Na een biopsie was de diagnose duidelijk: ik had Hodgkinlymfoom, een soort lymfeklierkanker. Ik kon behandeld worden en zou genezen. De diagnose viel op kerstavond, het was een kerstgeschenk. Ik wist eindelijk wat er mis was met mij én dat er iets aan te doen was. Ik stond voor twee weken radiotherapie en zes maanden chemotherapie. De oncoloog in het ziekenhuis was oké, al kreeg ik van hem te weinig uitleg. Met een "alles is in orde" waren mijn vragen niet beantwoord. Wat is "alles"? Bij elk nieuw symptoom was ik bang weer ziek te worden. Oncologen zijn technici: ze repareren een auto. Maar ze leren je niet weer rijden. Hoe moest ik verder met mijn leven? Zou ik altijd angstig blijven?'
Advies
'Mijn eerste vraag aan mijn huisarts was: "Ik heb koorts. Moet ik terug naar het ziekenhuis?" Ik stelde nog heel wat vragen tijdens de maanden van behandeling. De huisarts raadde me ook aan om op gesprek te gaan bij een psychologe. Dat werkte. Met haar kon ik praten over mijn angst opnieuw ziek te worden, over de impact van mijn ziekte op mijn kinderen, op mijn omgeving. Ze hielp me om al dat moeilijke te verwerken, gaf me ruimte om terug in contact met mezelf te komen. Het was een goed advies van mijn huisarts, net wat ik nodig had. Nadien sprak hij me over relaxatieoefeningen, yoga en mindfulness (een ontspanningstechniek, nvdr). Het oefenen in groep, de contacten, de ontspanning: dat deed deugd. Want tot dan toe leefde ik vaak in een roes van "Dit moet, nu, vandaag, ík moet". Door die cursussen ben ik rustiger geworden. Weer: net wat ik nodig had! En mijn omgeving ook...'
'Nog een moeilijk moment: de afspraak bij de controlearts. Ja, ik wou weer werken. En graag voltijds. Maar ook: ik was nog vaak zo moe. Ik sprak dit door met mijn huisarts. Hij wist dat mijn kinderen toen twee en vier jaar waren en raadde me af om meteen voltijds aan de slag te gaan. Een druk gezin en nog herstellende van zware behandelingen, het leek hem niet realistisch. Hij had gelijk: na een echt drukke dag op het werk heb ik een off-day en moet ik rusten. Halftijds werken was inderdaad de oplossing, een goede keuze.'
'Door de jaren van ziekzijn, behandeling en nazorg heb ik een vertrouwensrelatie opgebouwd met mijn huisarts. Hij luisterde naar mijn verhaal, herkende wat ik nodig had, kende mijn context. Hij wees me de weg om mijn leven weer op te bouwen.'
'Ziekzijn heeft me heel wat doen ontdekken: ik ben nu rustiger dan vroeger. "Moeten" regeert mijn dag minder. Ik kan nu beter om met mijn beperkingen, mijn grenzen. Ik heb hulp leren vragen aan anderen. Vroeger probeerde ik alles in mijn eentje te redden. Als je plots ziek valt, lukt dat niet meer. Nu laat ik mezelf makkelijker toe een stap terug zetten, iets moet niet altijd onmiddellijk, direct, vandaag. Ik geniet van kleine dingen die het verschil maken: een glimlach, een kopje koffie, een gezellige babbel. En ik neem tijd: voor mezelf, voor mijn gezin voor iedereen die me doorheen een moeilijke periode hielp.'

Lees de volledige Leven 38, met het interview met Myriam Verkouter en nog veel meer